Doelgroep en toeleiding

Voor- en vroegschoolse educatie is bedoeld voor peuters en kleuters met onderwijsachterstand of een risico daarop. Landelijk wordt op basis van CBS-data en aan de hand van vier indicatoren een inschatting gegeven van de risico’s op een onderwijsachterstand in een gemeente. De verdeling van de Rijksmiddelen voor GOAB is hierop gebaseerd. De vier indicatoren die voor de verdeling van de Rijksmiddelen gebruikt worden, zijn:

  • Opleidingsniveau beide ouders
  • Land van herkomst van beide ouders
  • Verblijfsduur van de moeder in Nederland
  • Gezin in schuldsanering (ja/nee)


Wat moet

Volgens de wet moeten gemeenten samen met het onderwijs en de kinderopvang jaarlijks vaststellen welke kinderen in aanmerking komen voor voorschoolse educatie (WPO artikel 167 artikel 1). Dit wordt verwoord in een doelgroepdefinitie waarmee wordt bepaald welke kinderen in aanmerking komen voor een verrijkt (taal)aanbod.

De definitie gaat veelal uit van achtergrondkenmerken van de ouders en/of de peuter, zoals bijvoorbeeld opleidingsniveau van de ouder(s) of primaire verzorger(s), en volgt daarmee de indicatoren van het CBS. Deze indicatoren zijn echter niet een verplichte basis voor de eigen gemeentelijke doelgroepdefinitie. Wel geven deze achtergrondkenmerken een indicatie over de risico’s op een onderwijsachterstand, waardoor extra inzet via VVE te rechtvaardigen is.

Definitie doelgroepkleuter Er zijn geen wettelijke bepalingen dat een gemeente een definitie moet hanteren voor ‘doelgroepkleuter’. Alleen als de gemeente hier expliciet afspraken over heeft gemaakt met schoolbesturen, bijvoorbeeld in het kader van het formuleren van vve-resultaatafspraken, is dit aanleiding om deze doelgroepdefinitie mee te wegen in het oordeel ‘goed’ bij de Onderwijsinspectie. Hierbij kan het gaan om een doelgroepdefinitie die is gebaseerd op de CBS criteria, maar het kan ook gaan om andere of aanvullende criteria.  

 

Hoe doen anderen het?

Er zijn talloze voorbeelden van criteria die gemeenten gebruiken om de doelgroep te definiëren. We geven er hier twee:

Criteria die de middelgrote gemeente hanteert zijn:

  • Opleidingsniveau ouders of verzorgers
  • Taal- of speelarme omgeving (vast te stellen tijdens huisbezoek)
  • Taalontwikkeling (Van Wiechenonderzoek/arts consult)
  • Specifieke criteria zoals dat de omstandigheden waarin het kind opgroeit niet
  • optimaal zijn voor een goede ontwikkeling
  • Als een kind al op de kinderopvang zit, kan een pedagogisch medewerker
  • alsnog een verzoek doen om een vve-indicatie als daartoe aanleiding is

In de gemeente Rotterdam is gekozen om de doelgroep ‘peuters Voorschoolse Educatie’ uit kinderen in de leeftijd van 2,5 tot 4 jaar als volgt te bepalen: (zie hier).

Een peuter komt in aanmerking voor een indicatie voor Extra spelen en leren als:

  • de ouder die de meeste zorgtaken uitvoert, een opleiding heeft die lager is dan de startkwalificatie (dat is een opleiding mbo 1, lbo/vbo, praktijkonderwijs, vmbo basis of kader of lager);
  • thuis een andere taal wordt gesproken dan het Nederlands én het opleidingsniveau van de ouder die de meeste zorgtaken uitvoert, is mbo 4 of lager;
  • de peuter achterstand heeft die is geconstateerd door de jeugdarts tijdens het consult van 24 maanden of later of door de vve-instelling bij observatie binnen drie maanden na plaatsing of later (achterstand ten opzichte van leeftijdsgenoten op SLO doelen).

Het doel van Ga voor Taal is het bereik van VVE te vergroten en daar hoort een frisse, op de doelgroep afgestemde informatievoorziening bij. De gemeente, de kinderopvangorganisaties en de GGD hebben afgesproken in gesprek met ouders te spreken over “de peutergroep” en een eventueel “advies extra spelen en leren”, overgenomen naar Rotterdams voorbeeld. En dus niet meer over vve en indicatie. Naast de folder stuurt de GGD nu ook een herinneringskaart aan ouders van wie het kind, ondanks indicatie, op 2-jarige leeftijd nog niet is aangemeld bij één van de organisaties. En ook het “diploma” van de peutergroep is opgefrist. Bij de folder hoort ook nog een A4 met overzicht van peutergroep-locaties. Handig voor de ouders die niet zo digitaal vaardig zijn (bijgevoegde versie is een concept met nog een paar schoonheidsfoutjes). Wanneer de folder in de praktijk goed bevalt en er geen tekortkomingen vaststellen, wordt de folder ook beschikbaar gemaakt in het Turks, Engels en Arabisch.

Ga voor taal Enschede: In de gemeente Enschede is een campagne gestart om bij ouders het belang van taalontwikkeling en lezen extra onder de aandacht te brengen. Dat heeft vorm gekregen in de website www.gavoortaalenschede.nl met over de peutergroep ook een speciale pagina. De website bevat allerlei praktische info en taaltips en wordt in de markt gezet met een uitgebreide campagne in onder andere de Enschedese reclamezuilen en via social media. En natuurlijk wordt één en ander ook onder de aandacht gebracht bij verschillende partners, van verloskundigen tot bibliotheek en van wijkcoach tot consultatiebureau.

 

Weten wat werkt

Zijn de gebruikte instrumenten een goede voorspeller van taal- en/of ontwikkelingsachterstand? Deze vraag is onderzocht door ITS en het Kohnstamm-instituut. Samen hebben zij hier in 2015 onderzoek naar gedaan. De onderzoekers constateren dat het voor de medewerkers van het CB die de indicatie moeten afgeven erg ingewikkeld is om de indicatoren (die tussen gemeenten die dit CB bedienen enorm kunnen verschillen) toe te passen op kinderen met zeer uiteenlopende problematiek. Daarnaast is er de vraag of de gebruikte instrumenten geschikt zijn. Veelgebruikte instrumenten zijn het van Wiechenonderzoek, SNEL en GMS (taalontwikkeling), de RIVM-omgevingsanalyse en de thuistaal (taalomgeving). Ook worden sociale indicatoren gebruikt zoals etniciteit en sociaalpedagogisch klimaat.

‘De indicatiestelling is mede gebaseerd op de uitkomsten van uiteenlopende screeningsinstrumenten en wordt meestal vastgelegd in protocollen. Deze instrumenten zijn echter niet ontwikkeld voor het doel waarvoor ze hier worden ingezet (de VVE-indicatie) en ook niet op hun betrouwbaarheid en validiteit onderzocht, dan wel ze voldoen niet aan de gangbare normen.‘

Het NCJ beheert inmiddels een database van hoe betrouwbaar verschillende instrumenten zijn.

In de voorschoolse instellingen is er verschil in het gerealiseerde aanbod en het gerealiseerde bereik. Met het gerealiseerde aanbod bedoelen we het aantal kindplaatsen met voorschoolse educatie in een gemeente: voor hoeveel kinderen is er in principe een vve-plek.

Gemeenten geven jaarlijks door aan de Inspectie hoeveel VVE-geïndiceerde peuters er zijn en hoeveel VVE-plekken zij hebben. Hierdoor worden gemeenten er jaarlijks op geattendeerd dat het aanbod hoger moet zijn dan het aantal VE-peuters. De Inspectie kan een herstelopdracht geven als dit niet het geval is. Het is moeilijker om het gerealiseerde bereik in beeld te krijgen. Dat komt doordat gemeenten allemaal een eigen doelgroepdefinitie hebben. Veel gemeenten streven naar een bereik VE van rond de 90/95%, terwijl uit lokale monitors grofweg blijkt dat dit veelal rond de 70-85% ligt, waarbij dit percentage bij grote gemeenten vaak nog iets lager ligt. Het pre-COOL onderzoek geeft een indicatie van het bereik op landelijk niveau. Bijna 90% van de kinderen in dat onderzoek gaat naar een voorschoolse voorziening (Leseman en Veen, 2016).