Veelgestelde vragen

Hieronder vind je, in verschillende categorieën, de antwoorden op veelgestelde vragen over het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid. Deze FAQ zal geregeld worden geactualiseerd. Mocht jouw vraag in de lijst ontbreken, dan kan je deze stellen door het contactformulier in te vullen.

Goa-middelen

Vanuit het OAB-budget mag de huur van een locatie vergoed worden (dit kan bijvoorbeeld onderdeel zijn van de opbouw van het uurtarief) of de inrichting bekostigd worden zodat een locatie geschikt is voor vve.. Let hierbij op de volgende punten:

  • Gemeenten mogen huurprijzen VVE compenseren vanuit OAB, maar dan geldt wel dat zij dit voor iedere aanbieder gelijk moeten aanbieden
  • De huurprijs-compensatie zit in de uurprijs VVE, gemeenten zouden ook aanvullend een aparte regeling compensatie VVE-huur kunnen maken, waarin geformuleerd staat welke compensatie de gemeente biedt. Alle aanbieders VVE hebben hier dan recht op.

Zelf bouwen is vanuit het OAB-budget niet mogelijk.

Ja dat mag, mits de norm van 960 uur vanaf 2,5 jaar gehaald wordt. Als voorbeeld: als een gemeente instelt dat alle 2-jarigen 40 weken per jaar 16 uur VVE-aanbod krijgen, dan voldoen ze hiermee dus aan de nieuwe eis van 960 uur vanaf 2,5 jaar. Gemeenten kunnen het deel van de 2-2,5 jarigen ook verantwoorden onder OAB, omdat dit valt onder lokale vrijheid van inrichting voorschoolse educatie.

Dit kunt u vinden in de nieuwe gepubliceerde tabel met voorlopige indicatieve bedragen per gemeente voor 2020. Let op: deze bedragen zijn een indicatie en kunnen worden bijgesteld tot aan de definitieve beschikking.

Tabel met voorlopige indicatieve bedragen per gemeente voor 2020

Doelgroep en toeleiding

OCW gaat niet over de doelgroepbepaling door gemeenten/scholen (we leggen dit niet van bovenaf op). Het gaat namelijk om lokaal maatwerk. Gemeenten en scholen bepalen zelf de doelgroep waarvoor ze het geld willen inzetten. Voor 'good practices' m.b.t. doelgroepdefinitie kan verwezen worden naar het ondersteuningstraject.

De ervaring leert dat er gemeenten zijn waar VVE wordt gebruikt voor alle peuters waar iets mee aan de hand is, variërend van logopedische problemen tot situaties in multi-probleemgezinnen waarvoor een SMI-indicatie wordt afgegeven. Vervolgens komt een peuter dan in aanmerking voor VVE.

De wet geeft aan voor welke groep het OAB budget bedoeld is (WPO artikelen 165 t/m 167). Met de term ‘doelgroepkinderen’ worden alleen de kinderen bedoeld  die een taalachterstand in het Nederlands hebben die veroorzaakt is door onvoldoende taalaanbod in het Nederlands. Er zijn gemeenten die zich niet specifiek richten op een taalachterstand in het Nederlands, en meertaligheid inzetten als kans om taalontwikkeling in het Nederlands te stimuleren. Een voorbeeld is de gemeente Zaanstad. Lees voor meer informatie en inspiratie hun handboek voor professionals.

Een taalachterstand kan ook veroorzaakt worden door een spraak- of taalontwikkelingsstoornis. Kinderen met deze stoornissen behoren niet tot de doelgroep van VVE. Extra ondersteuning, zoals logopedie, is vaak nodig.

Het is mogelijk om ook jongere kinderen op te nemen in de doelgroepdefinitie, maar de gemeente heeft de verplichting om voldoende kwantitatief (totaal 960 uur) en kwalitatief voorschools aanbod te bieden aan de doelgroeppeuters tussen de 2,5 en 4 jaar. Het staat de gemeente vrij om hier boven meer te bieden, dus ook voor kinderen jonger dan 2,5 jaar! In de praktijk komt jonger dan 2 jaar starten met VVE niet of nauwelijks voor.

Resultaatafspraken

Ja, in WPO artikel 167 staat dat gemeenten en schoolbesturen verplicht zijn de afspraken te maken en hierover jaarlijks in gesprek te gaan. De Onderwijsinspectie kan scholen/schoolbesturen hierover bevragen tijdens het vierjaarlijkse Inspectiebezoek.

Nee, in WPO artikel 167 staat dat gemeenten en schoolbesturen verplicht zijn de afspraken te maken en hierover jaarlijks in gesprek te gaan. Deze verplichting geldt dus wettelijk niet voor voorschoolse instellingen. Het staat hen dus vrij om deel te nemen.

Het minst sterke argument is de wettelijke verplichting, want dan zou men alleen meedoen om aan de wettelijke verplichting te voldoen. Belangrijk is om samen te zoeken wat de meerwaarde kan zijn van het maken en monitoren van Resultaatafspraken VVE. De essentie is dat door inzicht in wat VVE oplevert er samen gekeken kan worden of en welke verbeteringen in VVE-beleid en/of VVE-uitvoering noodzakelijk of gewenst zijn op gemeentelijk en op school(bestuurlijk)niveau. Het inzicht van de behaalde resultaten in VVE dienen dus vooral om een gesprek met elkaar op gang te brengen over de dingen die goed zijn en de dingen die wellicht beter kunnen.

Ten eerste is het belangrijk om hier samen met de schoolbesturen en eventueel aanbieders van voorschoolse educatie in op te trekken. Om te zorgen voor draagvlak en te voorkomen dat je straks resultaatafspraken hebt die niet meetbaar blijken te zijn.

Op inhoudelijk zijn er hulpmiddelen en handvatten te vinden in de kennisbank, bijvoorbeeld in deze brochure

Een veel toegepaste resultaatafspraak, die te gebruiken is met bijna alle kindvolgsystemen: 80% van de (VVE)-kinderen die met een taalachterstand instroomt, maakt een bovengemiddelde groei door tot de uitstroom voorschool/einde groep 2.

Kleutertoetsen worden vanaf augustus 2022 afgeschaft. Het volgen van de ontwikkeling van alle leerlingen is en blijft een taak van het onderwijs. Veel scholen hanteren nu al observatiesystemen om de ontwikkeling te kunnen volgen. Normering betekent dat de ontwikkeling van een individueel kind kan worden afgezet tegen een gemiddeld niveau (de norm). Bijna elk observatiesysteem heeft een dergelijke normering.

Kwaliteit

1. Landelijk toezicht op gemeentelijke taken kinderopvang

Bij het toezicht op gemeentelijk niveau (landelijk) gaat de Inspectie van het Onderwijs als volgt te werk: zij analyseert een aantal informatiebronnen, zoals jaarverslagen van gemeenten, verslagen van regio-overleggen met vooral gemeenten en GGD’en, bestuurlijke overleggen, congressen, overleggen met stakeholders, en andere binnenkomende signalen. Op basis hiervan doet de Inspectie van het Onderwijs onderzoek. Het kan gaan om thema-onderzoeken, presentaties in regio-overleggen en workshops. Ook kan er aanleiding zijn om op individueel gemeentelijk niveau onderzoek uit te voeren.

De Inspectie van het Onderwijs brengt jaarlijks een rapport uit dat landelijk een beeld geeft over de uitvoering van de aan de gemeenten en de GGD opgedragen taken. Gemeentelijke taken zijn hier:

  • een goede en actuele uitvoering van het Landelijk register kinderopvang en peuterspeelzalen (hierin zijn alle locaties kinderopvang en peuterspeelzalen van de gemeente opgenomen),
  • tijdige afhandeling aanvragen,
  • uitvoering inspecties (in opdracht van gemeenten door de GGD) en
  • handhaving op geconstateerde tekortkomingen.

2. Onderzoek bij individuele gemeente

Op individueel gemeentelijk niveau is er risico gestuurd toezicht, dus op basis van signalen n.a.v. het landelijk onderzoek. Als er vervolgens onderzoek is gedaan bij een gemeente, dan wordt het onderzoeksrapport op de website gepubliceerd. Indien de kwaliteit van de uitvoering van de gemeente achterblijft, worden er verbeterafspraken gemaakt om de uitvoering op orde te brengen.
De inspectie hanteert drie statussen, te weten:
   Status A: De gemeente leeft haar wettelijke taken na;
   Status B: De gemeente leeft haar taken onvoldoende na en werkt mee aan verbetering;
   Status C: De gemeente leeft haar wettelijke taken niet of onvoldoende na en werkt niet of onvoldoende mee met de       inspectie aan de verbetering hiervan.
Inspectie maakt de statussen van gemeenten bekend op haar website.

Ook is er toezicht door de Inspectie van het Onderwijs op de manier waarop de gemeenten de verplichtingen omtrent het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid (GOAB) nakomen, volgens artikel 167 WPO en artikel 15h WOT.

De inspectie bekijkt de volgende punten:

  • Is er ten minste jaarlijks overleg tussen de gemeente, de houders en de schoolbesturen
  • Zijn er afspraken gemaakt over de definitie van de doelgroepkinderen voor voorschoolse educatie, de toeleiding, de doorlopende leerlijn en de resultaten van de vroegschoolse educatie. 

Daarnaast wordt nagegaan of de gemeente zorg draagt voor voldoende voorzieningen in aantal en spreiding waar kinderen met een risico op een achterstand in de Nederlandse taal deel kunnen nemen aan voorschoolse educatie. 

Bij het toezicht op VVE in OAB-gemeenten wordt het waarderingskader toezicht op gemeenten in bijlage 4 van het Onderzoekskader 2017 gebruikt. Alle gemeenten krijgen in het voorjaar de jaarlijkse vragenlijst vve. In de zomer wordt een risicoanalyse gemaakt t.a.v. wel/niet nakomen wettelijke eisen, waaronder de resultaatafspraken. Na de zomer volgen onderzoeken bij gemeenten die risico’s vertonen t.a.v. de wettelijke eisen. 
Hierbij kan de inspectie ook veranderingen in het gemeentelijke VVE-beleid opnemen in het onderzoek. Dat kan gaan om niet-wettelijke aspecten van kwaliteit zoals ouderbeleid en interne kwaliteitszorg en is bedoeld om de gemeentelijke context van VVE op de locaties in beeld te brengen. Het onderzoek wordt gepubliceerd ineen rapport dat, na hoor en wederhoor, openbaar wordt op grond van artikel 8 van de Wet Openbaarheid Bestuur.


Voldoet de gemeente niet aan de wettelijke eisen dan dient de gemeente dat zo snel te herstellen. Uiteindelijk kan de inspectie het dossier overdragen aan de minister van OCW. De minister kan besluiten tot indeplaatsstelling.

De Inspectie van het Onderwijs voert signaal gestuurd toezicht uit op de kwaliteit van voorschoolse educatie op locaties met gesubsidieerde voorschoolse educatie in alle OAB-gemeenten. Aanleidingen voor een onderzoek op een locatie met voorschoolse educatie zijn onder andere signalen van de GGD over tekortkomingen in de basisvoorwaarden voorschoolse educatie en de pedagogische praktijk, signalen van de basisscholen over het ontbreken van voldoende kwaliteit van de voorschoolse educatie, of signalen van anderen, zoals de gemeente, houders en ouders. De Inspectie analyseert twee keer per jaar de GGD-rapporten.

Hoe het onderzoek voorschoolse educatie wordt uitgevoerd, staat beschreven in het Onderzoekskader 2017 voor het toezicht op voorschoolse educatie en het primair onderwijs (pag. 55).

In de WOT (art. 15i) staan de onderwerpen die de inspectie op de locaties met gesubsidieerde voorschoolse educatie kan onderzoeken:

  • de basisvoorwaarden voor voorschoolse educatie;
  • het informeren van ouders en ouderbetrokkenheid;
  • de kwaliteit van de educatie;
  • ontwikkeling, zorg en begeleiding van de kinderen;
  • kwaliteitszorg;
  • de doorgaande lijn tussen voor- en vroegschoolse educatie.

De voorschoolse educatie vindt plaats in een kindercentrum. De inspectie kijkt naar de inhoud van het pedagogisch beleidsplan wat voorschoolse educatie betreft (art. 4a). Dit artikel gaat over de verplichting voor houders om in het pedagogisch beleidsplan het beleid voor voorschoolse educatie te beschrijven, te evalueren en bij te stellen en naar het taalniveau dat de beroepskrachten moeten beheersen.

Een onderzoek op locatieniveau leidt tot een rapport dat, na hoor en wederhoor, openbaar wordt op grond van de WOT (zie par. 8.3). De Inspectie stuurt een afschrift van het rapport aan de gemeente.

Op scholen met veel doelgroepkinderen en gewichtenleerlingen vindt toezicht plaats op de kwaliteit van het onderwijs, waaronder de kwaliteit van vroegschoolse educatie in de groepen 1 en 2. Ook hier kunnen signalen leiden tot een onderzoek of tot een andere actie, bijvoorbeeld een gesprek met het schoolbestuur.
Aanleiding voor een onderzoek op een basisschool, inclusief de vroegschoolse educatie, kan zijn:

  • risico’s in de kwaliteit van het onderwijs, waaronder de kwaliteit van het onderwijs aan het jonge kind;
  • signalen van gemeenten, houders of voorscholen over het ontbreken van voldoende kwaliteit van de vroegschoolse educatie;
  • een onderzoek op verzoek bij een goede school (zie par. 5.2.4).

De Inspectie gebruikt het waarderingskader PO. Afhankelijk van de situatie strekt het onderzoek op een basisschool zich alleen uit tot de vroegschoolse educatie in de groepen 1 en 2, of maakt dit onderdeel uit van een onderzoek naar de kwaliteit van het onderwijs op de gehele basisschool. In het regeerakkoord 2018 “Vertrouwen in de toekomst” wordt geschreven dat de afspraken uit de sectorakkoorden worden gehandhaafd, met uitzondering van de landelijke norm om zittenblijven bij kleuters terug te dringen.  Binnen het leerlingvolgsysteem zullen er gedurende de kleuterperiode vanaf 2020 geen toetsen worden afgenomen. 

Het (jaarlijkse) toezicht op de basisvoorwaarden voorschoolse educatie, zoals beschreven in het gelijknamige Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie (hierna: het besluit), vindt plaats door de GGD. De Inspectie van het Onderwijs is ook bevoegd om toezicht te houden op deze voorwaarden, maar doet dit alleen als er signalen zijn die dat noodzakelijk maken. (zie boven).
De GGD beoordeelt of locaties aan de eisen van het besluit voldoen. In sommige gemeenten kijkt de GGD ook meer inhoudelijk naar de kwaliteit van de educatie.

Zie ook de brochure voor houders in de kinderopvang Toezicht en Handhaving Kinderopvang van de GGD.

GGD Brochure

Er wordt nu vooral door observatie gecontroleerd. Er vindt een gesprek plaats met de beroepskracht waarom de beroepskracht op deze manier gehandeld heeft. Over de manier van toezichthouden is nog discussie gaande, zie de brief van staatssecretaris van Ark op 3 september 2019 over het bevorderen van de dialoog en de flexibiliteit. 

Hierin moet beschreven zijn wat de visie van de kinderopvangorganisatie op voorschoolse educatie is en hoe deze visie herkenbaar is in de dagelijkse praktijk. 

  • Hoe wordt de ontwikkeling van het jonge kind gestimuleerd? (Taal, rekenen, motoriek, sociaal-emotionele ontwikkeling)
  • Hoe wordt de ontwikkeling van peuters gevolgd en hoe stem je het voorschoolse educatie aanbod hierop af?
  • Hoe worden ouders betrokken bij de ontwikkelingsstimulering?
  • Inrichting van een passende ruimte met passend materiaal.
  • Hoe worden de inhoudelijke aansluiting tussen voor- en vroegschoolse educatie en een zorgvuldige overgang vormgegeven?