Resultaatafspraken

Het Rijk investeert veel geld in het verminderen van taalachterstand bij jonge kinderen (circa € 750 miljoen per jaar, waarvan € 490M voor gemeenten en € 260M voor scholen). Er zijn landelijke onderzoeken, zoals pre-COOL om te onderzoeken wat deze investeringen opleveren.

Het Rijk vindt het echter ook van belang dat op lokaal niveau de discussie over de opbrengsten van VVE besproken worden. Daarom is in 2010 een wettelijke verplichting opgenomen  (WPO artikel 167), dat gemeenten en schoolbesturen resultaatafspraken voor vroegschoolse educatie maken.

De meerwaarde van het maken van resultaatafspraken is dat hiermee de dialoog over de opbrengsten van VVE gevoerd kan worden. Sinds de financiering en regelgeving van VVE in 2006 is opgeknipt, ontvangen gemeenten de middelen voor voorschoolse educatie en de schoolbesturen voor vroegschoolse educatie. De resultaatafspraken bieden de mogelijkheid voor gemeenten om een gesprek aan te gaan over de invulling van de vroegschoolse educatie. Hierover zijn immers, in tegenstelling tot de voorschoolse educatie, geen kwaliteitseisen gesteld door het Ministerie. Indien de opbrengsten vroegschoolse educatie achter blijven bij de verwachtingen, is het vervolgens mogelijk om de dialoog te voeren over de kwaliteit van de uitvoering van vroegschoolse educatie en/of over de doorgaande leerlijn VVE. Dit past ook goed in het streven om meer opbrengstgericht te werken in het onderwijs.

 

Wat moet

Artikel 167 van de WPO lid 1b stelt dat Burgemeester en wethouders minstens een keer per jaar overleg voeren en zorg dragen voor het maken van afspraken over de resultaten van vroegschoolse educatie.  Artikel 167 artikel 2 lid b zegt dat Burgemeester en Wethouders deze afspraken moeten maken met de bevoegde gezagsorganen van scholen. Verder staat dat alle partijen meewerken aan de totstandkoming van de afspraken.

Toelichting bij wettelijke verplichting in 2010
In de memorie van toelichting staat dat de afspraken op het gebied van vroegschoolse educatie over de resultaten gaan die scholen bereiken op het terrein van vroegschoolse educatie. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om het aantal kinderen dat een niveau stijgt, het aantal kinderen dat bijvoorbeeld minimaal op niveau C zit of afspraken over de minimale woordenschat aan het einde van groep 2. Het is aan de scholen om voor het bereiken van die resultaten de weg daarnaar toe te kiezen. Afspraken over resultaten zijn verplicht; afspraken over het “hoe” dus niet. Gemeenten en scholen blijven altijd vrij om alsnog afspraken te maken over het ‘hoe’, zoals het soort vve-programma of het aantal leerkrachten voor de groep of de organisatie van ouderbetrokkenheid. Daarnaast hebben gemeenten de ruimte om scholen bij deze afspraken te ondersteunen met het geld dat zij ter beschikking hebben voor het onderwijsachterstandenbeleid.

 

Hoe doen anderen het?

De handreiking Meten van resultaatafspraken VVE laat zien op welke wijze in praktijk gewerkt kan worden aan de resultaatafspraken. In het bijbehorende format zijn mogelijke voorbeelden van uitwerking opgenomen. We maken daarbij onderscheid tussen:

  • Doelstelling op kindniveau (het inhalen van de achterstand als een peuter met achterstand instroomt)
  • Doelstelling op historie (..% van de peuters die met een achterstand instromen en waar de achterstand verkleind wordt)

 

Weten wat werkt

Bij de resultaatafspraken wordt op lokaal niveau altijd getracht enig zicht te krijgen op de effecten van VVE in de eigen gemeente. Het is aanvullend goed te weten dat er ook op landelijk niveau een wetenschappelijk groot onderzoek is gedaan naar de effecten van VVE op de ontwikkeling van de kinderen. Dit landelijk onderzoek presenteren wij hier, zodat gemeenten hier desgewenst naar kunnen verwijzen.

Cohortonderzoek Het jonge kind
In 2009 is het cohortonderzoek 'Het jonge kind' gestart, dat aansluit op het cohortonderzoek 'onderwijsloopbanen COOL5-18'. Met dit zogenoemde Pre-COOL zijn de effecten van verschillende vormen van kinderopvang en van voor- en vroegschoolse educatie onderzocht. Pre-COOL is uitgevoerd door medewerkers van het Kohnstamm Instituut, het ITS/Radboud Universiteit Nijmegen en de Universiteit Utrecht.

De kinderen in het onderzoek zijn onderverdeeld in kinderen die voor- en vroegschoolse educatie krijgen, en kinderen die daar niet aan deelnemen. Er zijn gegevens verzameld over:

  • de cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen;
  • de gezinnen waar deze kinderen uit komen;
  • de (kwaliteit van de) voorschoolse voorzieningen en de kleutergroepen van het basisonderwijs.

Het Pre-COOL onderzoek laat zien dat de resultaten van voor- en vroegschoolse educatie in het algemeen positief zijn, waarbij opgemerkt moet worden dat het lastig is om direct aantoonbare effecten van VVE te laten zien. Op de NRO-website van Pre-COOL zijn de verschillende rapporten die hierover zijn verschenen bijeengebracht.

Onderwijsinspectie over toepassing resultaatafspraken
In 2019/2020 onderzocht de Onderwijsinspectie de naleving van de resultaatafspraken bij 16 gemeenten. Zij constateren dat het voor gemeenten lastig is de wettelijke verplichting na te komen. ‘In de praktijk blijkt het moeilijk tot afspraken te komen en deze vervolgens daadwerkelijk na te komen. Gemeenten kunnen richting de schoolbesturen en de vroegscholen niet sturen zoals ze dat bij de voorschoolse educatie wel kunnen. Scholen hebben bovendien elk hun eigen kindvolgsystemen en kleutertoetsen worden afgeschaft, waardoor het moeilijk wordt gemeentelijke afspraken te maken. Om de aangeleverde resultaatafspraken te kunnen analyseren, hebben gemeenteambtenaren ook onderwijskundige kennis nodig. Het blijkt ingewikkeld de informatie die er soms wel is, te duiden. Tot slot zien we ook voor het toezicht op de resultaatafspraken een punt van aandacht. We spreken [nu – red.] alleen de gemeente aan op het niet maken van resultaatafspraken, terwijl de houders en schoolbesturen ook een rol hebben in het bereiken van de gezamenlijke doelen.’ Zie hier voor het complete rapport.