Doelgroep en toeleiding

OCW gaat niet over de doelgroepbepaling door gemeenten/scholen (we leggen dit niet van bovenaf op). Het gaat namelijk om lokaal maatwerk. Gemeenten en scholen bepalen zelf de doelgroep waarvoor ze het geld willen inzetten. Voor 'good practices' m.b.t. doelgroepdefinitie kan verwezen worden naar het ondersteuningstraject.

De ervaring leert dat er gemeenten zijn waar VVE wordt gebruikt voor alle peuters waar iets mee aan de hand is, variërend van logopedische problemen tot situaties in multi-probleemgezinnen waarvoor een SMI-indicatie wordt afgegeven. Vervolgens komt een peuter dan in aanmerking voor VVE.

De wet geeft aan voor welke groep het OAB budget bedoeld is (WPO artikelen 165 t/m 167). Met de term ‘doelgroepkinderen’ worden alleen de kinderen bedoeld  die een taalachterstand in het Nederlands hebben die veroorzaakt is door onvoldoende taalaanbod in het Nederlands. Er zijn gemeenten die zich niet specifiek richten op een taalachterstand in het Nederlands, en meertaligheid inzetten als kans om taalontwikkeling in het Nederlands te stimuleren. Een voorbeeld is de gemeente Zaanstad. Lees voor meer informatie en inspiratie hun handboek voor professionals.

Een taalachterstand kan ook veroorzaakt worden door een spraak- of taalontwikkelingsstoornis. Kinderen met deze stoornissen behoren niet tot de doelgroep van VVE. Extra ondersteuning, zoals logopedie, is vaak nodig.

Het is mogelijk om ook jongere kinderen op te nemen in de doelgroepdefinitie, maar de gemeente heeft de verplichting om voldoende kwantitatief (totaal 960 uur) en kwalitatief voorschools aanbod te bieden aan de doelgroeppeuters tussen de 2,5 en 4 jaar. Het staat de gemeente vrij om hier boven meer te bieden, dus ook voor kinderen jonger dan 2,5 jaar! In de praktijk komt jonger dan 2 jaar starten met VVE niet of nauwelijks voor.