Het Centraal Bureau voor de Statistiek heeft een nieuwe publicatie uitgebracht over de herijking van de risico-indicator onderwijsachterstanden. De risico-indicator onderwijsachterstanden vormt de basis voor de verdeling van het onderwijsachterstandenbudget dat het ministerie van OCW beschikbaar stelt aan scholen en gemeenten.
Sinds 2018 gebruikt het ministerie de door het CBS ontwikkelde risico-indicator onderwijsachterstanden. Met deze indicator brengt het CBS in beeld waar de kans op onderwijsachterstanden het grootst is. Voor alle peuters en basisschoolleerlingen wordt op basis van verschillende achtergrondkenmerken een onderwijsscore berekend. Deze scores worden samengevoegd tot een achterstandsscore per school en gemeente. Op basis daarvan verdeelt het ministerie van OCW de beschikbare middelen voor het onderwijsachterstandenbeleid. Om ervoor te zorgen dat deze indicator blijft aansluiten bij de maatschappelijke ontwikkelingen en de beschikbare data, heeft OCW het CBS gevraagd de methode opnieuw te evalueren en te actualiseren.
De publicatie van het CBS beschrijft de tweede fase van de herijking van de risico-indicator onderwijsachterstanden. In deze fase staat de ontwikkeling van een vernieuwd model om het risico op onderwijsachterstanden in te schatten centraal. In vergelijking met het bestaande model bestaat het vernieuwde model uit een aantal extra achtergrondkenmerken, waaronder het vermogen van het huishouden, de ouderlijke structuur (bijv. eenoudergezin of al dan niet inwonen bij juridische ouders) en of ouders verdacht worden van een misdrijf.
De herijkte methode leidt tot een andere verdeling van de onderwijsachterstandsmiddelen. Het algemene beeld is dat meer scholen en gemeenten in aanmerking komen voor financiering dan onder de huidige indicator. Tegelijkertijd blijft de samenhang met de huidige verdeling groot, maar wordt het beschikbare budget gelijkmatiger over Nederland verdeeld. Vooral buiten de grote steden profiteren sommige regio's relatief meer van de nieuwe systematiek. Meer weten? Lees de volledige publicatie op de website van het CBS.