FAQ

Hieronder vindt u, in verschillende categorieën, de antwoorden op veelgestelde vragen over het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid. Deze FAQ zal geregeld worden geactualiseerd. Mocht uw vraag in de lijst ontbreken, dan kunt u deze stellen door dit contactformulier in te vullen.

Goa-middelen

Dit kunt u vinden in de nieuwe gepubliceerde tabel met voorlopige indicatieve bedragen per gemeente voor 2020. Let op: deze bedragen zijn een indicatie en kunnen worden bijgesteld tot aan de definitieve beschikking.

Gemeenten mogen huurprijzen VVE compenseren vanuit OAB, maar dan geldt wel dat zij dit voor iedere aanbieder gelijk moeten aanbieden

De huurprijs-compensatie zit in de uurprijs VVE, gemeenten zouden ook aanvullend een aparte regeling compensatie VVE-huur kunnen maken, waarin geformuleerd staat welke compensatie de gemeente biedt. Alle aanbieders VVE hebben hier dan recht op.

Vanuit het OAB-budget mag de huur van een locatie vergoed worden (dit kan bijvoorbeeld onderdeel zijn van de opbouw van het uurtarief) of de inrichting bekostigd worden zodat een locatie geschikt is voor vve. Zelf bouwen is vanuit het OAB-budget niet mogelijk.

Ja dat mag, mits de norm van 960 uur vanaf 2,5 jaar gehaald wordt. Als voorbeeld: als een gemeente instelt dat alle 2-jarigen 40 weken per jaar 16 uur VVE-aanbod krijgen, dan voldoen ze hiermee dus aan de nieuwe eis van 960 uur vanaf 2,5 jaar. Gemeenten kunnen het deel van de 2-2,5 jarigen ook verantwoorden onder OAB, omdat dit valt onder lokale vrijheid van inrichting voorschoolse educatie.

Voor antwoord op vragen omtrent Goa-middelen zie ook de brochure 'Inzet GOAB-middelen 2019-2022'

Doelgroepdefinitie

OCW gaat niet over de doelgroepbepaling door gemeenten/scholen (we leggen dit niet van bovenaf op). Het gaat namelijk om lokaal maatwerk. Gemeenten en scholen bepalen zelf de doelgroep waarvoor ze het geld willen inzetten. Voor 'good practices' m.b.t. doelgroepdefinitie kan verwezen worden naar het ondersteuningstraject.

Taalniveau 3F

Branchevereniging Kinderopvang informeert haar leden over de taaleis 3F.  In dit document zijn veelgestelde vragen opgenomen en beantwoord.

Tot 1 augustus 2019 is het mogelijk om wat rekkelijk om te gaan met de 100%-eis, maar vanaf 1 augustus 2019 moeten alle vve-leidsters voldoen aan de taalnorm: dus niet 95%, maar echt 100%. Dat is zo geregeld en wordt per wet vastgelegd.

Nee de gemeente hoeft hier niet aan bij te dragen. De bekostiging van 3F volgens de wet IKK wordt betaald via het uurtarief van de kinderopvang en ligt dus op rekening van de houder.

Harmonisatie en vve

De Asscher-middelen lopen via ministerie SZW. De 60 miljoen euro staat nu onder druk, omdat de financiering was gebaseerd op een groep van ongeveer 40.000 peuters. (Dat is de geschatte groep van non-bereik onder ouders met peuters zonder vve-indicatie en waarvan de meeste ook geen recht op toeslag hebben.) Terwijl volgens de monitor van Buitenhek het non-bereik onder peuters zonder toeslagaanspraak 11.400 peuters is. 

Toezicht

1. Landelijk toezicht op gemeentelijke taken kinderopvang

Bij het toezicht op gemeentelijk niveau (landelijk) gaat de Inspectie van het Onderwijs als volgt te werk: zij analyseert  een aantal informatiebronnen, zoals jaarverslagen van gemeenten, verslagen van regio-overleggen met vooral gemeenten en GGD’en, bestuurlijke overleggen, congressen, overleggen met stakeholders, en andere binnenkomende signalen. Op basis hiervan gaat de Inspectie van het Onderwijs onderzoek doen. Het kan gaan om thema-onderzoeken, presentaties in regio-overleggen en workshops. Ook kan er aanleiding zijn om op individueel gemeentelijk niveau onderzoek uit te voeren.

De Inspectie van het Onderwijs brengt jaarlijks een rapport uit dat landelijk een beeld geeft over de uitvoering van de aan de gemeenten en de GGD opgedragen taken. Gemeentelijke taken in dit kader zijn:

• een juiste en actuele uitvoering van het Landelijk register kinderopvang en peuterspeelzalen (hierin zijn alle locaties kinderopvang en peuterspeelzalen van de gemeente opgenomen), 

• tijdige afhandeling aanvragen, 

• uitvoering inspecties (in opdracht van gemeenten door de GGD) en 

• handhaving op geconstateerde tekortkomingen.

2. Onderzoek bij individuele gemeente 

Op individueel gemeentelijk niveau is er risico gestuurd toezicht, dus op basis van signalen n.a.v. het landelijk onderzoek. Als er vervolgens onderzoek is gedaan bij een gemeente, dan wordt het onderzoeksrapport op de website gepubliceerd. Indien de kwaliteit van de uitvoering van de gemeente achterblijft, worden er verbeterafspraken gemaakt om de uitvoering op orde te brengen. 

De inspectie hanteert drie statussen, te weten: 

Status A: De gemeente leeft haar wettelijke taken na; 

Status B: De gemeente leeft haar taken onvoldoende na en werkt mee aan verbetering; 

Status C: De gemeente leeft haar wettelijke taken niet of onvoldoende na en werkt niet of onvoldoende mee met de inspectie aan de verbetering hiervan. 

Inspectie maakt de statussen van gemeenten bekend op haar website.

3. Daarnaast is er toezicht door de Inspectie van het Onderwijs op de wijze waarop de gemeenten de verplichtingen betreffende het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid (GOAB) nakomen. 

De inspectie bekijkt de volgende punten:

• Is er ten minste jaarlijks overleg tussen de gemeente, de houders en de schoolbesturen &

• Zijn er afspraken gemaakt over de definitie van de doelgroepkinderen voor voorschoolse educatie, de toeleiding, de doorlopende leerlijn en de resultaten van de vroegschoolse educatie.

Bij het toezicht op VVE in OAB-gemeenten wordt het waarderingskader toezicht op gemeenten in bijlage 4 van het Onderzoekskader 2017 gebruikt. 

Ook dit kan leiden tot een onderzoek op gemeenteniveau of bijvoorbeeld een gesprek. Hierbij kan de inspectie ook veranderingen in het gemeentelijke VVE-beleid opnemen in het onderzoek. Dat kan gaan om niet-wettelijke aspecten van kwaliteit zoals ouderbeleid en interne kwaliteitszorg en is bedoeld om de gemeentelijke context van VVE op de locaties in beeld te brengen. Het onderzoek wordt gepubliceerd ineen rapport dat, na hoor en wederhoor, openbaar wordt op grond van artikel 8 van de Wet Openbaarheid Bestuur. 

Voldoet de gemeente niet aan de wettelijke eisen dan dient de gemeente dat zo snel te herstellen. Uiteindelijk kan de inspectie het dossier overdragen aan de minister van OCW. De minister kan besluiten tot indeplaatsstelling.

De Inspectie van het Onderwijs voert signaal gestuurd toezicht uit op de kwaliteit van voorschoolse educatie op locaties met gesubsidieerde voorschoolse educatie in alle OAB-gemeenten. Aanleidingen voor een onderzoek op een locatie met voorschoolse educatie kunnen onder andere signalen van de GGD over tekortkomingen in de basisvoorwaarden voorschoolse educatie en de pedagogische praktijk zijn, signalen van de basisscholen over het ontbreken van voldoende kwaliteit van de voorschoolse educatie, of signalen van anderen, zoals de gemeente, houders en ouders.

Hoe het onderzoek voorschoolse educatie wordt uitgevoerd,  staat beschreven in het Onderzoekskader 2017 voor het toezicht op voorschoolse educatie en het primair onderwijs, pag. 55.

In de WOT (art. 15i) staan de onderwerpen die de inspectie op de locaties met gesubsidieerde voorschoolse educatie kan onderzoeken: 

• de basisvoorwaarden voor voorschoolse educatie; 

• het informeren van ouders en ouderbetrokkenheid; 

• de kwaliteit van de educatie; 

• ontwikkeling, zorg en begeleiding van de kinderen; 

• kwaliteitszorg; 

• de doorgaande lijn tussen voor- en vroegschoolse educatie.

Een onderzoek op locatieniveau leidt tot een rapport dat, na hoor en wederhoor, openbaar wordt op grond van de WOT (zie par. 8.3). We sturen een afschrift van het rapport aan de gemeente.

Op scholen met veel doelgroepkinderen en gewichtenleerlingen houden we toezicht op de kwaliteit van het onderwijs, waaronder de kwaliteit van vroegschoolse educatie in de groepen 1 en 2. Ook hier kunnen signalen leiden tot een onderzoek of tot een andere actie, bijvoorbeeld een gesprek met het schoolbestuur. 

Aanleiding voor een onderzoek op een basisschool, inclusief de vroegschoolse educatie, kan zijn: 

• risico’s in de kwaliteit van het onderwijs, waaronder de kwaliteit van het onderwijs aan het jonge kind; 

• signalen van gemeenten, houders of voorscholen over het ontbreken van voldoende kwaliteit van de vroegschoolse educatie; 

• een onderzoek op verzoek bij een goede school (zie par. 5.2.4). 

We gebruiken het waarderingskader PO. Afhankelijk van de situatie strekt het onderzoek op een basisschool zich alleen uit tot de vroegschoolse educatie in de groepen 1 en 2, of maakt dit onderdeel uit van een onderzoek naar de kwaliteit van het onderwijs op de gehele basisschool.

Het (jaarlijkse) toezicht op de basisvoorwaarden voorschoolse educatie, zoals beschreven in het gelijknamige Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie (hierna: het besluit), vindt plaats door de GGD. De Inspectie van het Onderwijs is ook bevoegd om toezicht te houden op deze 

voorwaarden, maar doet dit alleen als er signalen zijn die dat noodzakelijk maken. (zie boven). 

De GGD beoordeelt of locaties aan de eisen van het besluit voldoen. In sommige gemeenten kijkt de GGD ook meer inhoudelijk naar de kwaliteit van de educatie. Het veldinstrument observatie pedagogische praktijk dat de GGD hanteert kunt u hier downloaden.

Zie ook de brochure toezicht en handhaving kinderopvang van de GGD.

Werken in vve

In de databank effectieve jeugdinterventies van het NJI is een aantal vve-programma’s opgenomen. Het is echter niet wettelijk verplicht een van deze programma’s te gebruiken. Voor ve moet wel sprake zijn van een beredeneerd aanbod, oftewel een programma waarmee op gestructureerde en samenhangende wijze spelenderwijs de ontwikkeling van peuters op het gebied van taal, rekenen, motoriek en op sociaal-emotioneel vlak wordt gestimuleerd.

VE-aanbod

De aanbieder dient voor alle peuters een aanbod van 960 uur te realiseren en samen met de gemeente en JGZ ouders te stimuleren gebruik te maken van het volledige aanbod. 

Voor iedere peuter (2,5 tot 4 jaar) met een risico op een onderwijsachterstand moet er een aanbod van 960 uur over 1,5 jaar zijn. Dit staat ook in het besluit VE opgenomen. Dit komt neer op gemiddeld 16 uur per week maar er zijn vele varianten mogelijk. De bedoeling is natuurlijk dat binnen een centrum aan een groep VE wordt geboden en dat kinderen in hun eigen groep van hun eigen VE beroepskrachten VE krijgen aangeboden. Het gaat om een aanbod verplichting niet om een afname verplichting. Ouders kun je stimuleren maar niet dwingen hun kind te brengen. Dit laat onverlet dat de gemeente een voldoende aanbod moet realiseren voor alle doelgroep kinderen en ouders moet stimuleren om gebruik te maken van het volledige aanbod. Ook aanbieders VE en de JGZ/GGD spelen hier een rol in. Indien er geen enkele andere mogelijkheid is om het VE-aanbod te bieden dan over twee locaties, zorg er dan voor dat het aanbod van  dezelfde houder is met een doorlopende lijn in het programma. Dus dezelfde kinderen bij dezelfde houder met het zelfde programma met bij voorkeur hun eigen beroepskrachten. In het pedagogisch beleid dient de houder aan te geven hoe hij aan de verplichting van het aanbod VE van 960 uur voldoet. Op basis hiervan weten ouders waar zij aan toe zijn en kan de toezichthouder een oordeel geven.

Asielpeuters

Gemeenten in Nederland zijn wettelijk verplicht om voldoende en een gespreid aanbod aan voorschoolse educatie te organiseren voor peuters met (een risico op) een achterstand in de Nederlandse taal. Kinderen in een azc wonen nog maar kort in Nederland en hebben een achterstand in de Nederlandse taal. Zij zouden logischerwijze dan ook onder de doelgroepdefinitie moeten vallen die gemeenten vaststellen voor voorschoolse educatie. Om te voldoen aan de taak om voldoende en gespreid aanbod te realiseren ligt aanbod op of nabij een azc voor de hand. Sinds 2019 zijn asielzoekerskinderen automatisch tot de landelijke doelgroep gerekend bij de verdeling van de onderwijsachterstandsmiddelen over gemeenten en scholen. Dat betekent dat gemeenten en het onderwijs door het Rijk worden gefaciliteerd om aan asielzoekerskinderen voorschoolse educatie te bieden en extra ondersteuning bij het bestrijden van achterstanden tijdens hun basisschoolperiode. Deze bekostiging geldt voor alle kinderen waarvan bekend is dat zij asielzoeker zijn (geweest). Dit is dus inclusief huidige niet-statushouders.

De genoemde redenatie verandert niets aan de geldende regels, maar is alleen bedoeld om gemeenten erop te wijzen dat kinderen op coa-locaties niet buiten boord zouden moeten vallen. Bij hen speelt een taalachterstand altijd. Ook bij andere nieuwkomers zoals expats, arbeidsmigranten of asielstatushouders die al langer in Nederland wonen (buiten coa-locaties) rekenen we erop dat een groot deel van de kinderen een risico op een taalachterstand heeft, maar is dit afhankelijk van de situatie (bijv. verblijfsduur ouders). 

Het antwoord verandert niets aan de geldende verantwoordelijkheid van gemeenten om de doelgroep te bepalen, maar is alleen bedoeld om gemeenten erop te wijzen dat kinderen op coa-locaties niet buiten boord zouden moeten vallen. Bij hen speelt een taalachterstand altijd, waardoor zij logischerwijs in aanmerking zouden moeten komen voor ve.

Conform WPO artikel 167 lid 1a1 is de gemeente vrij in het bepalen welke kinderen wel/niet onder de doelgroep vallen. De gemeente moet aan de Inspectie van het Onderwijs wel kunnen verantwoorden welke keuzes zij hierin maken. De inspectie voert jaarlijks onderzoeken uit bij gemeenten waar zij risico’s zien op grond van de ingevulde jaarlijkse vragenlijst. Als een gemeente met een AZC deze kinderen niet meeneemt in de doelgroepdefinitie, gaat de inspectie hierover een gesprek aan met de gemeente (als de inspectie in die gemeente een onderzoek uitvoert). Het niet meenemen van de asielkinderen zou in dat geval kunnen leiden tot een onvoldoende oordeel, als de gemeente dit niet kan verantwoorden.

Nee, de Rijksmiddelen GOAB worden verdeeld op basis van een achterstandsscore per gemeente. Die achterstandsscore wordt gebaseerd op de onderwijsscores van de scholen in die gemeente. Die onderwijsscores worden bepaald op basis van gegevens over meerdere indicatoren. Indicatoren zijn onder andere de herkomst van de ouders en de verblijfsduur in Nederland. Verder is afgesproken dat asielkinderen in alle gevallen meetellen voor de achterstandscore van hun school. Het budget voor alleen de asielkinderen is niet uitgesplitst.

De gemeenten hebben de wettelijke taak om te zorgen voor voldoende aanbod aan voorschoolse educatie. Het betreft hier dus in ieder geval de peuters. Aanvullend mag de gemeente ook investeringen doen in het onderwijs voor taalstimulering voor doelgroepkinderen, maar dit is geen wettelijke plicht. Gemeenten kunnen deze overweging dus zelf maken voor wat betreft de asielzoekerskinderen die naar de basisschool gaan. 

Meer informatie

Deel deze pagina: