Wet- en regelgeving

Het gemeentelijk gesprek over de doorgaande lijn is opgenomen als een van de bespreekpunten in het Overeenstemmingsgericht Overleg (OGO), veel gemeenten nemen dat op in de Lokale Educatieve Agenda (LEA). Gemeenten zijn op basis van artikel 167, lid 1a onder 3 van de WPO verantwoordelijk voor het voeren van overleg hierover met schoolbesturen en directies van kinderopvang en het zorg dragen voor het maken van afspraken over de organisatie van een doorlopende leerlijn van voorschoolse naar vroegschoolse educatie. 

De Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de gemeenten. Zij gaat na of er ten minste jaarlijks overleg is tussen de gemeente, de houders en de schoolbesturen en of er afspraken zijn gemaakt over wie de doelgroepkinderen zijn voor voorschoolse educatie, de toeleiding, de doorlopende leerlijn en de resultaten van de vroegschoolse educatie. Klik hier voor het Onderzoekskader 2017 voor het toezicht op de voorschoolse educatie en primair onderwijs van de Inspectie van het Onderwijs.

Bij een doorgaande lijn in de VVE gaat het om een ononderbroken ontwikkelingsgang van kinderen van de voorschoolse voorziening naar het onderwijs. Het is belangrijk dat het kind in zijn ontwikkel- en leerproces zo min mogelijk overlap, breuken of gaten ervaart. Van een doorgaande leerlijn wordt gesproken als de leerstof en het (onderwijs)resultaat van de voorschoolse voorziening en de basisschool naadloos op elkaar aansluiten. Dit levert een betere startpositie op in groep 3 voor de kinderen en uiteindelijk gedurende de hele schoolloopbaan (op weg naar de kerndoelen).

Voor de voorschoolse educatie (en niet voor de vroegschoolse educatie) zijn een aantal zaken rondom de doorgaande lijn vastgelegd in het gewijzigde Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie. Het Besluit stelt dat aandacht voor de doorgaande lijn een verplicht onderdeel moet zijn van de beroepsopleiding. Leren hoe vorm te geven aan de doorgaande lijn is een onderwerp van het keuzedeel VVE dat vanaf augustus 2017 verplicht is voor pedagogisch medewerkers die werkzaam zijn op VVE-locaties.

Ook geeft het besluit aan dat het instellingsbeleid rond de doorgaande lijn beschreven moet worden in het pedagogisch beleidsplan van kinderopvangorganisaties. Het Besluit schrijft verder voor dat dit onderdeel jaarlijks wordt geëvalueerd door de houder en naar aanleiding daarvan zo nodig wordt aangepast. Dit geeft de GGD-inspecteur de mogelijkheid om een signaal af te geven aan de Inspectie van het Onderwijs wanneer er twijfels rijzen over de kwaliteit van de doorgaande lijn.  

Deel deze pagina: