Wet- en regelgeving

Alle kinderen een plek op een voorschoolse voorziening

Het Rijk en de VNG hebben bestuurlijke afspraken gemaakt om te bereiken dat alle peuters gebruik kunnen maken van een voorschoolse voorziening. Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) stelt uiteindelijk in 2021 via een ingroeimodel vanaf 2016 van jaarlijks telkens 10 miljoen euro, in totaal 60 miljoen euro structureel beschikbaar via een decentralisatie-uitkering aan gemeenten. Hiermee kunnen gemeenten meer peuters tussen 2,5 en 4 jaar in staat stellen om twee dagdelen per week een voorschoolse voorziening te bezoeken. Middels een convenant is met gemeenten afgesproken dat zijn met deze middelen de toegankelijkheid van voorschoolse voorzieningen vergroten en ouders stimuleren en verleiden om hun kind naar peuter- of kinderopvang te brengen. De ambitieuze doelstelling is dat het non-bereik afneemt met 20.000 peuters in 2019 en dat in 2021 alle peuters bereikt worden. 

Voor alle doelgroepkinderen een VVE-plek

De gemeente is verplicht (WPO artikel 166) te zorgen voor een dekkend aanbod van voorschoolse educatie voor kinderen met een risico op een achterstand in de Nederlandse taal. Dit betekent dat de gemeente zorg moet dragen voor minimaal zoveel VVE-plekken als er doelgroeppeuters zijn volgens de gewichtenregeling. Gemeenten kunnen hun doelstelling vergroten met hun eigen, door de gemeente en partners vastgestelde, doelgroepdefinitie. In het eerder genoemde wetsartikel is verder aangegeven dat het aanbod van voldoende kwaliteit moet zijn. Daarnaast is het de taak van de gemeente om zich in te spannen deze kinderen daadwerkelijk te bereiken (WPO, artikel 167):

Burgemeester en wethouders voeren ten minste jaarlijks overleg en dragen zorg voor het maken van afspraken over:

  • “het vaststellen welke kinderen met een risico op een achterstand in de Nederlandse taal in aanmerking komen voor voorschoolse educatie,
  • de wijze waarop die kinderen worden toegeleid naar voorschoolse en vroegschoolse educatie.”


Actieve rol JGZ

De JGZ is altijd al een belangrijke samenwerkingspartner geweest in signalering en toeleiding. De jeugdgezondheidszorg heeft de taak om te signaleren of een kind een (risico op een) taalachterstand heeft als gevolg van onvoldoende taalaanbod in de eigen omgeving. Vervolgens verwijzen de consultatiebureaus indien nodig ouders naar een VVE-voorziening. De gemeenten maken afspraken met de consultatiebureaus over wie de toeleiding doet, zodat na signalering en verwijzing door de JGZ de kinderen ook echt bij VVE terecht komen. Consultatiebureaus zelf kunnen de toeleiding verzorgen, maar het kan ook door speciale functionarissen gebeuren, een VVE-coördinator of door een actieve benadering door de opvangorganisatie.

Deel deze pagina: