FAQ

Hieronder vindt u, in verschillende categorieën, de antwoorden op veelgestelde vragen over het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid. Deze FAQ zal geregeld worden geactualiseerd. Mocht uw vraag in de lijst ontbreken, dan kunt u deze stellen door dit contactformulier in te vullen.

Deel deze pagina:

Doelgroepdefinitie

OCW gaat niet over de doelgroepbepaling door gemeenten/scholen (we leggen dit niet van bovenaf op). Het gaat namelijk om lokaal maatwerk. Gemeenten en scholen bepalen zelf de doelgroep waarvoor ze het geld willen inzetten. Voor 'good practices' m.b.t. doelgroepdefinitie kan verwezen worden naar het ondersteuningstraject.

Besteding goa-middelen

In deze gevallen (gemeente X zonder GOA-middelen en gemeente Y mét GOA-middelen, die op termijn bestuurlijk fuseren) bestaat er geen bezwaar tegen dat GOA-middelen van gemeente Y worden ingezet voor GOA-activiteiten binnen gemeente X. Gemeente Y zal deze middelen moeten verantwoorden via de Sisa. De accountant van gemeente Y zal dan een controleerbare vastlegging van de uitgaven voor gemeente X nodig hebben om de Sisa-verklaring te kunnen afgeven. Dat betekent dat de betaling voor de GOA-activiteiten t.b.v. gemeente X steeds door de gemeente Y gedaan moeten worden.

De doeluitkering vervalt per 1 januari 2019. Er bestaan immers geen deelbudgetten meer. Kijk hier meer informatie.

Doorschuiven is niet mogelijk. De specifieke uitkering (SPUK) gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid 2011- 2018 vervalt met ingang van 1 januari 2019. De afgelopen zeven jaar konden gemeenten de budgetten doorschuiven naar het daarop volgende jaar. Nu in 2018 de beleidsperiode wordt afgesloten, is het voor gemeenten niet meer mogelijk om de middelen door te schuiven naar de nieuwe periode. Lees meer.

Vanuit het OAB-budget mag de huur van een locatie vergoed worden (dit kan bijvoorbeeld onderdeel zijn van de opbouw van het uurtarief) of de inrichting bekostigd worden zodat een locatie geschikt is voor vve. Zelf bouwen is vanuit het OAB-budget niet mogelijk.

De Rijksmiddelen GOAB zijn en blijven een specifieke uitkering. Hoe de middelen besteed mogen worden, verandert dus niet in 2019 t.o.v. 2018 en eerder, alleen de grondslag voor de hoogte van de uitkering is veranderd. Hoe de specifieke uitkering GOAB mag worden uitgegeven wordt jaarlijks in januari bekend gemaakt via de SiSa invulwijzer van het Ministerie van BZK. De gemeenten geven in hun jaarrekening inzicht hoe de GOAB-middelen zijn besteed en de gemeentelijke accountant controleert dit. Informatie over jaarrekening 2017 die dus eerste helft van 2018 opgesteld is, is terug te vinden op de website van de Rijksoverheid

Pagina 21 t/m 25 van de Invulwijzer gaan over hoe de GOAB-middelen verantwoord dienen te worden inclusief verwijzingen naar bronnen waarom dit op deze manier moet worden gedaan. In de kern verantwoorden gemeenten de inzet aan de hand van vier onderdelen:

  • Voorschoolse educatie (verplicht onderdeel)
  • Inzet GOAB in het onderwijs (facultatief deel)
  • Maken van afspraken over VVE (verplicht deel)
  • Reserve GOAB middelen

Ja, dat klopt. Het bedrag in 2019 is al voor 85% gebaseerd op het nieuwe bedrag. In 2019 krijgt de gemeente het bedrag al bijna volledig. In de jaren daarna stijgt dit percentage dat elk jaar wordt vastgesteld bij de ministeriële regeling. Alleen voor gemeenten die erop achteruitgaan, is dit nu al vastgesteld: 75%, 50%, 25%. Voor gemeenten die erop vooruitgaan, verloopt deze stijging sneller door de intensivering. Wat het beschikkingsbedrag precies wordt, horen gemeenten jaarlijks in september. Hierbij kan het voorkomen dat het bedrag niet verder stijgt, aangezien de achterstandsscore elk jaar opnieuw door het CBS wordt berekend.

Klopt. In 2019 is het macrobudget voorlopig €462 miljoen, in verband met €130 van de €170 miljoen en loonbijstelling. Vanaf 2020 komt er sowieso €30 miljoen bij (resterende €40 mln - € 0 ramingsbijstelling wat al langer terug was besloten) plus waarschijnlijk de loonbijstelling over 2019 en 2020.

Ja, in principe klopt dat. Elk jaar verschuift maar 50% van de grondslag. Dit keer is er wel één uitzondering, namelijk dat 1 oktober 16 in de tussentijd door het CBS is herberekend i.v.m. een update van het achterliggende opleidingsniveaubestand. Daarnaast is ook het aantal gemeenten veranderd (380 naar 355), wat ook voor veranderingen heeft gezorgd. 

Taalniveau 3F

Branchevereniging Kinderopvang informeert haar leden over de taaleis 3F.  In dit document zijn veelgestelde vragen opgenomen en beantwoord.

Tot 1 augustus 2019 is het mogelijk om wat rekkelijk om te gaan met de 100%-eis, maar vanaf 1 augustus 2019 moeten alle vve-leidsters voldoen aan de taalnorm: dus niet 95%, maar echt 100%. Dat is zo geregeld en wordt per wet vastgelegd.

Toezicht

1. Landelijk toezicht op gemeentelijke taken kinderopvang

Bij het toezicht op gemeentelijk niveau (landelijk) gaat de Inspectie van het Onderwijs als volgt te werk: zij analyseert  een aantal informatiebronnen, zoals jaarverslagen van gemeenten, verslagen van regio-overleggen met vooral gemeenten en GGD’en, bestuurlijke overleggen, congressen, overleggen met stakeholders, en andere binnenkomende signalen. Op basis hiervan gaat de Inspectie van het Onderwijs onderzoek doen. Het kan gaan om thema-onderzoeken, presentaties in regio-overleggen en workshops. Ook kan er aanleiding zijn om op individueel gemeentelijk niveau onderzoek uit te voeren.

De Inspectie van het Onderwijs brengt jaarlijks een rapport uit dat landelijk een beeld geeft over de uitvoering van de aan de gemeenten en de GGD opgedragen taken. Gemeentelijke taken in dit kader zijn:

• een juiste en actuele uitvoering van het Landelijk register kinderopvang en peuterspeelzalen (hierin zijn alle locaties kinderopvang en peuterspeelzalen van de gemeente opgenomen), 

• tijdige afhandeling aanvragen, 

• uitvoering inspecties (in opdracht van gemeenten door de GGD) en 

• handhaving op geconstateerde tekortkomingen.

2. Onderzoek bij individuele gemeente 

Op individueel gemeentelijk niveau is er risico gestuurd toezicht, dus op basis van signalen n.a.v. het landelijk onderzoek. Als er vervolgens onderzoek is gedaan bij een gemeente, dan wordt het onderzoeksrapport op de website gepubliceerd. Indien de kwaliteit van de uitvoering van de gemeente achterblijft, worden er verbeterafspraken gemaakt om de uitvoering op orde te brengen. 

De inspectie hanteert drie statussen, te weten: 

Status A: De gemeente leeft haar wettelijke taken na; 

Status B: De gemeente leeft haar taken onvoldoende na en werkt mee aan verbetering; 

Status C: De gemeente leeft haar wettelijke taken niet of onvoldoende na en werkt niet of onvoldoende mee met de inspectie aan de verbetering hiervan. 

Inspectie maakt de statussen van gemeenten bekend op haar website.

3. Daarnaast is er toezicht door de Inspectie van het Onderwijs op de wijze waarop de gemeenten de verplichtingen betreffende het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid (GOAB) nakomen. 

De inspectie bekijkt de volgende punten:

• Is er ten minste jaarlijks overleg tussen de gemeente, de houders en de schoolbesturen &

• Zijn er afspraken gemaakt over de definitie van de doelgroepkinderen voor voorschoolse educatie, de toeleiding, de doorlopende leerlijn en de resultaten van de vroegschoolse educatie.

Bij het toezicht op VVE in OAB-gemeenten wordt het waarderingskader toezicht op gemeenten in bijlage 4 van het Onderzoekskader 2017 gebruikt. 

Ook dit kan leiden tot een onderzoek op gemeenteniveau of bijvoorbeeld een gesprek. Hierbij kan de inspectie ook veranderingen in het gemeentelijke VVE-beleid opnemen in het onderzoek. Dat kan gaan om niet-wettelijke aspecten van kwaliteit zoals ouderbeleid en interne kwaliteitszorg en is bedoeld om de gemeentelijke context van VVE op de locaties in beeld te brengen. Het onderzoek wordt gepubliceerd ineen rapport dat, na hoor en wederhoor, openbaar wordt op grond van artikel 8 van de Wet Openbaarheid Bestuur. 

Voldoet de gemeente niet aan de wettelijke eisen dan dient de gemeente dat zo snel te herstellen. Uiteindelijk kan de inspectie het dossier overdragen aan de minister van OCW. De minister kan besluiten tot indeplaatsstelling.

De Inspectie van het Onderwijs voert signaal gestuurd toezicht uit op de kwaliteit van voorschoolse educatie op locaties met gesubsidieerde voorschoolse educatie in alle OAB-gemeenten. Aanleidingen voor een onderzoek op een locatie met voorschoolse educatie kunnen onder andere signalen van de GGD over tekortkomingen in de basisvoorwaarden voorschoolse educatie en de pedagogische praktijk zijn, signalen van de basisscholen over het ontbreken van voldoende kwaliteit van de voorschoolse educatie, of signalen van anderen, zoals de gemeente, houders en ouders.

Hoe het onderzoek voorschoolse educatie wordt uitgevoerd,  staat beschreven in het Onderzoekskader 2017 voor het toezicht op voorschoolse educatie en het primair onderwijs, pag. 55.

In de WOT (art. 15i) staan de onderwerpen die de inspectie op de locaties met gesubsidieerde voorschoolse educatie kan onderzoeken: 

• de basisvoorwaarden voor voorschoolse educatie; 

• het informeren van ouders en ouderbetrokkenheid; 

• de kwaliteit van de educatie; 

• ontwikkeling, zorg en begeleiding van de kinderen; 

• kwaliteitszorg; 

• de doorgaande lijn tussen voor- en vroegschoolse educatie.

Een onderzoek op locatieniveau leidt tot een rapport dat, na hoor en wederhoor, openbaar wordt op grond van de WOT (zie par. 8.3). We sturen een afschrift van het rapport aan de gemeente.

Op scholen met veel doelgroepkinderen en gewichtenleerlingen houden we toezicht op de kwaliteit van het onderwijs, waaronder de kwaliteit van vroegschoolse educatie in de groepen 1 en 2. Ook hier kunnen signalen leiden tot een onderzoek of tot een andere actie, bijvoorbeeld een gesprek met het schoolbestuur. 

Aanleiding voor een onderzoek op een basisschool, inclusief de vroegschoolse educatie, kan zijn: 

• risico’s in de kwaliteit van het onderwijs, waaronder de kwaliteit van het onderwijs aan het jonge kind; 

• signalen van gemeenten, houders of voorscholen over het ontbreken van voldoende kwaliteit van de vroegschoolse educatie; 

• een onderzoek op verzoek bij een goede school (zie par. 5.2.4). 

We gebruiken het waarderingskader PO. Afhankelijk van de situatie strekt het onderzoek op een basisschool zich alleen uit tot de vroegschoolse educatie in de groepen 1 en 2, of maakt dit onderdeel uit van een onderzoek naar de kwaliteit van het onderwijs op de gehele basisschool.

Het (jaarlijkse) toezicht op de basisvoorwaarden voorschoolse educatie, zoals beschreven in het gelijknamige Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie (hierna: het besluit), vindt plaats door de GGD. De Inspectie van het Onderwijs is ook bevoegd om toezicht te houden op deze 

voorwaarden, maar doet dit alleen als er signalen zijn die dat noodzakelijk maken. (zie boven). 

De GGD beoordeelt of locaties aan de eisen van het besluit voldoen. In sommige gemeenten kijkt de GGD ook meer inhoudelijk naar de kwaliteit van de educatie. Het veldinstrument observatie pedagogische praktijk dat de GGD hanteert kunt u hier downloaden.

Zie ook de brochure toezicht en handhaving kinderopvang van de GGD.

Harmonisatie en vve

In deze gevallen (gemeente X zonder GOA-middelen en gemeente Y mét GOA-middelen, die op termijn bestuurlijk fuseren) bestaat er geen bezwaar tegen dat GOA-middelen van gemeente Y worden ingezet voor GOA-activiteiten binnen gemeente X. Gemeente Y zal deze middelen moeten verantwoorden via de Sisa. De accountant van gemeente Y zal dan een controleerbare vastlegging van de uitgaven voor gemeente X nodig hebben om de Sisa-verklaring te kunnen afgeven. Dat betekent dat de betaling voor de GOA-activiteiten t.b.v. gemeente X steeds door de gemeente Y gedaan moeten worden.

Nee, er zijn geen specifieke eisen aan deze 40 M verbonden. Deze middelen kunnen dus OAB breed worden ingezet (doorschuiven naar 2019 is niet mogelijk), passend in hetgeen in SiSa moet worden verantwoord. NB: sinds 11 januari staat Sisa Invulwijzer 2017 online. 

De Asscher-middelen lopen via ministerie SZW. De 60 miljoen euro staat nu onder druk, omdat de financiering was gebaseerd op een groep van ongeveer 40.000 peuters. (Dat is de geschatte groep van non-bereik onder ouders met peuters zonder vve-indicatie en waarvan de meeste ook geen recht op toeslag hebben.) Terwijl volgens de monitor van Buitenhek het non-bereik onder peuters zonder toeslagaanspraak 11.400 peuters is. 

Meer informatie