Wet- en regelgeving

Het wettelijke kader voor het toezicht wordt gevormd door een aantal verschillende wet- en regelgevingen:

• de Wet Kinderopvang 
• Wet Innovatie Kwaliteit Kinderopvang (IKK, wordt deels ingevoerd vanaf 2018)
• de Regeling Wet Kinderopvang
• de Gemeentewet
• de Wet op Primair Onderwijs (WPO),
• de Wet op Onderwijs Toezicht (WOT)
• het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie (gewijzigd 26 april 2017)

Eind mei 2017 zijn door de Eerste Kamer twee wetten aangenomen, de Harmonisatiewet en de Wet Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang (IKK).

De Harmonisatiewet regelt dat het peuterspeelzaalwerk en kinderopvang aan dezelfde eisen moeten voldoen. Vanaf 1 januari 2018 valt het peuterspeelzaalwerk voortaan onder de definitie van kinderopvang. Daardoor is peuterspeelzaalwerk als zelfstandige categorie in de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen vervallen en wordt de kortdurende peuteropvang net als dagopvang in een kindercentrum aangeboden. Verder zijn de verschillen in de financieringsstructuur van het peuterspeelzaalwerk en de kinderopvang verdwenen.

De Wet IKK regelt de kwaliteitseisen waaraan kinderopvangorganisaties moeten voldoen. Deze wet is ingegaan op 1 januari 2018. Delen van de Wet IKK worden later van kracht. De nieuwe beroepskracht-kind ratio (bkr) voor zowel de babygroep als voor de BSO, is uitgesteld tot 1 januari 2019 om de organisaties wat meer tijd te geven om zich hierop in te stellen. Ook de verhoging van de maximum te vergoeden uurprijs voor de kinderopvangtoeslag voor de bekostiging van de nieuwe bkr, wordt uitgesteld.

Het besluit Kwaliteitseisen VVE is gewijzigd in april van 2017 in Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie. Het oude besluit is aangevuld met een artikel waarin de opleidingseisen voor pm’ers die werkzaam zijn op VVE-locaties is geregeld.

Van 2018 tot begin 2019 loopt de pilot ‘Herijken toezicht VVE en ko’. Het doel is om voorstellen voor verbetering van het toezicht te formuleren en een landelijk beeld van de kwaliteit van VVE vast te stellen. Er wordt onderzoek gedaan bij 15 gemeenten en 125 VVE-locaties in die gemeenten. Er worden vragen gesteld aan gemeenten, houders, schoolbesturen en GGD over samenwerken aan kwaliteit VVE en ko in de gemeente.